De Jacht – Metersnoek 27

Het is dinsdag 15 januari. Ik kijk op mijn mobieltje. Ik ben
nu anderhalf uur aan het wakvissen. Deze doordeweekse middag was ik vroeg vrij
en kon ik eventjes vissen. Het is inmiddels alweer tijd om naar huis te gaan.
Helaas zonder aanbeet. Echt jammer want ik had mijn actiecamera continu
aangehad en hoopte op het vastleggen van een aanbeet en het drillen van een
snoek. Ik ruim rustig op. Eerst breng ik de onthaakmat, het schepnet, het meetlint
en de leeggegoten emmer naar de auto. De hengel heb ik met de beugel open
weggelegd en de kniptang plus onthaaktang laat ik liggen. Mocht ik toch een
aanbeet krijgen dan kan ik de snoek m.b.v. de kieuwgreep landen, onthaken en
snel terugzetten. Met dit koude weer moet een vis namelijk niet lang boven
water blijven i.v.m. vorstschade. De actiecamera zou de vangst registreren en
foto’s vind ik dan niet per se nodig. Vis ik zonder vismaat/camera-assistent
tijdens een vorstperiode en ik wil toch foto’s maken m.b.v. bijvoorbeeld een
timer, dan maak ik van mijn onthaakmat een soort badje. Zo kan ik tijdens het
maken van foto’s de snoek telkens in het water, dat in de onthaakmat ligt, terugleggen.
Ook blijf ik water over de snoek gieten. Op deze manier wordt de kans op
vorstschade beperkt, maar het is natuurlijk het veiligste om de snoek te
onthaken en meteen terug te zetten. Overigens heb ik het in het geval van alleen
vissen en het maken van foto’s nog steeds over een zeer beperkte tijd waarin
iedere seconde telt.
Het wak vriest snel weer dicht…





Vanaf mijn auto loop ik weer richting mijn hengel. De dobber drijft heel rustig
in het alweer bijna dichtgevroren wak. Ik pak de actiecamera. De kans op het vastleggen
van een aanbeet is nu echt voorbij. Terwijl ik de camera naar de auto breng
blijf ik geregeld omkijken en zie dat mijn dobber er nog steeds is. Ik zet het
cameraatje in de auto, draai mij weer om en kijk naar de dobber. Zie ik het
goed? Speelt mijn hoofd een spelletje met mij? Potverdepotver! Hoe is het
mogelijk! De dobber is weg!

Wat zou het leuk zijn om deze winter een snoek uit een wak
te trekken. Helemaal na het afgelopen weekend. Want voordat we verdergaan bij
de ondergedoken dobber neem ik je eerst mee naar zaterdag 12 januari. Ik stap
mijn bed uit. Voor mijn doen vrij laat. De week ervoor was een drukke werkweek
geweest en mijn gedachtes waren toen niet veel bij het vissen. Ik had zelfs het
weerbericht niet bekeken. Ik doe de gordijnen open en ben aangenaam verrast.
Een prachtige witte wereld laat mijn ogen schitteren. Snel omkleden, even eten
en dan snoeken in de sneeuw. Yes! En zo rijd ik richting stek 1 van de visplas.

Onderweg naar de visplas…
Onderweg maak ik een foto van de mooie witte wereld, maar
hoe dichter ik bij de visplas kom hoe minder sneeuw er ligt. Aangekomen bij de
visplas is er nauwelijks nog een sneeuwkristal te bespeuren. Wat moet ik doen?
Het is ondanks de oostelijke wind mooi snoekweer. Op stek 1 kan ik heerlijk uit
de wind vissen, maar niet in de sneeuw! Ik heb iets met sneeuw en vandaag zelfs
meer met sneeuw dan met snoek. Zonder verder na te denken rijd ik weer weg. Weg
van de visplas, op weg naar de zandafgraving zo’n 60 km verderop. Hopelijk zou
daar wel sneeuw liggen…

 
Er aangekomen ben ik blij. Er ligt sneeuw. Minder dan bij
mij thuis, maar ik neem er genoegen mee. Ik sjok met al mijn spullen naar mijn
stek bij de zandafgraving. Wat een pokkeneind lopen is dat toch! En nu met al
die sneeuw, ja ja… ik wilde het zelf, is het al helemaal een slopende tocht. Eindelijk
ben ik er. Ik voel de oostelijke wind in mijn gezicht. Het voelt hier veel
kouder aan dan bij de intiemere visplas. Achter mijn parapluutje is het wel
comfortabel en geniet ik van het winterse landschap. Mijn humeur is goed, maar
ik heb niet het gevoel dat ik iets ga vangen deze dag. Aan het eind van de dag
blijkt mijn gevoel te kloppen. Het was een heerlijke, maar visloze, winterdag. 
Een heerlijke, maar visloze, winterdag…
Terug naar dinsdag 15 januari. Mijn dobber is weg en ik
probeer vanaf mijn auto al rennend en glijdend zo snel mogelijk bij mijn hengel
te geraken. Ik sla meteen aan, maar dat is nog behoorlijk lastig met een lange
hengel, vissend in een klein wak onder een brug. De lijn schuurt langs het ijs.
Ik ben bang voor lijnbreuk en houd daarom de top van de hengel zo laag
mogelijk. Zo kan ik de lijn bij het ijs vandaan houden. Eventjes lijk ik
controle te krijgen, maar plotseling is er geen weerstand meer. De snoek is
gelost. Onder de brug galmen een paar, niet voor herhaling vatbare, woorden. Ik
baal ontzettend! Het vangen van een snoek uit een wak, in de sneeuw, heeft iets
speciaals en ik heb het zojuist verkloot! Zo is het! Of, in ieder geval… zo
voelt het!

 
Te vroeg aangeslagen?
De sardine hangt nog aan één dreg. Ik bekijk de toegetakelde
sardine. Heb ik te vroeg aangeslagen? Een beetje moedeloos ga ik naar huis.
Thuis is mijn humeur, netjes gezegd, niet optimaal. Ik besluit de negatieve energie
die zich in mijn lichaam heeft opgehoopt te gebruiken. Ik heb niet een negen tot
vijf baan. Als ik wil kan ik altijd werken. Vissen gebruik ik vaak als rem.
Even geen werk. Vandaag gebruik ik vissen juist als katalysator. Ik heb de hele
avond hard gewerkt. Dingen die ik al langere tijd voor mij uit heb geschoven
zijn nu klaar. Dat voelt fijn! Het geklooi bij het wak is weer om te lachen.
Want tja, wat moet ik anders… het is ‘maar’ vissen…
 


Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd op de blog van Koen Verweij.