De Jacht – Metersnoek 19

De grote zandafgraving heeft mij in de greep. De eerste
sessie had ik er na het wandelen en peilwerk niet meer dan een uurtje vistijd
over. Inmiddels heb ik er een tweede sessie opzitten waarin ik vijf uren
daadwerkelijk heb gevist. En niet zonder succes! Ik ben niet zomaar begonnen
aan de tweede sessie. Het nodige voorbereidend werk is eraan voorafgegaan. Wie
het vorige verslag aandachtig heeft gelezen kan hebben gedacht dat ik het water
systematisch zou gaan uitpeilen en bevissen. En daarmee bedoel ik telkens een
stukje opschuiven totdat ik een hotspot gevonden zou hebben.  Tja, deze manier zou uiteindelijk een hotspot
kunnen opleveren. En dit dan dankzij het hebben van een lange adem en veel
doorzettingsvermogen. Maar goed, een beetje je verstand gebruiken voegt ook wel
iets toe aan de hobby en is waarschijnlijk een stukje efficiënter. Dus, stapje
voor stapje peil ik het water uit, maar wanneer ik welke stapjes neem, en waar
ik de stapjes neem, hangt af van allerlei factoren. Denk bijvoorbeeld aan: observaties,
informatie van collega-vissers, weersomstandigheden en mijn gevoel.

Afgelopen donderdag liep ik al hoestend en proestend bij de
plas. Mijn naasten verklaarden me voor gek dat ik nog naar mijn werk ging. En
dat ik mij vrijwillig in de jungle rondom de zandafgraving begaf was helemaal absurd.
Ze hadden gelijk want ik was behoorlijk ziek, maar niet werken zou ook
betekenen niet vissen. Dat is natuurlijk geen optie, dus doorlopen en niet
zeuren! Het zweet biggelde over mijn rug. Een bonkende dreun in mijn hoofd liet
me langzamer lopen dan ik normaal zou doen. Ik was op weg naar een vernauwing
in de plas. In de buurt van deze vernauwing zit een hoek waar ik de vorige keer
veel watervogels, waaronder futen, had gezien. Misschien omdat ze daar lekker
relaxed kunnen ronddobberen, het water was daar namelijk erg rustig. Of zouden
ze daar zitten omdat er veel voedsel is? Dit laatste zou interessant zijn! Zitten
ze er namelijk i.v.m. de scholen witvis die zich zo langzamerhand meer gaan
concentreren op bepaalde delen van het water, dan kan de snoek niet ver weg
zijn! Ik was opgelucht toen ik er eindelijk was. Het is sowieso een pokke-eind
lopen, maar in de grieperige toestand waarin ik verkeerde was het een loodzware
lange tocht. Maar ja, als ik iets in mijn hoofd heb…
Bij de hoek…
Als ik bijna bij de hoek ben hoor ik zware slagen op het
water. Een Aalscholver probeert op te stijgen. De aalscholver geeft mij nog
meer vertrouwen in de stek dan ik al had, nu alleen nog even kijken hoe het
bodemverloop is. Lang verhaal kort: steile taluds, diep water, op werp- en
voerafstand. Perfect!
Er krioelt nog van alles…
Zaterdagmiddag. Ik loop met een kilo sardientjes vanaf de
auto richting de zandafgraving. Ik heb het plan in de hoek voor te voeren.
Waarom ik dit doe kan ik niet echt uitleggen. Als de theorie van de watervogels
en de holding area van de witvis klopt, is voorvoeren dan wel nodig?  Mijn gevoel zegt van wel en het is een mooi
excuus om weer even bij het mooie water te zijn. In het begin van de plas bij
één van de eerste stekken waar ik het in het vorige verslag ook al over had,
staan tot mijn verbazing twee karpertentjes. Ik besluit even gedag te zeggen.
Het gesprek start wat stroef, maar als ze merken dat ik open kaart speel kunnen
ze dit blijkbaar wel waarderen en komt het gesprek op gang. Het levert me
waardevolle informatie op. Ondanks dit houd ik vast aan mijn plan. Voeren in de
hoek.
Mijn plekje…
Eindelijk is het zondagochtend. Ik ga vissen in de hoek. Ik
ben al iets fitter en sjouw met al mijn spullen naar de stek. De eerste 500
meter gaat dit nog goed, maar vervolgens is het een martelgang. Gloeiende,
gloeiende, waarom ga ik niet gewoon weer met kunstaas aan de gang! Maar dat
doodaasvissen vind ik zo leuk! Maar waarom dan juist hier! Dit gaat allemaal door
mijn hoofd. Als ik dan eindelijk in lig met één hengel op zes meter en één op
vier meter , een mok dampende koffie in mijn handen heb en uitkijk over een lap
water, dan voelt het weer goed. Twee uur later voelt het toch niet goed. Ik zit
in een soort emotionele rollercoaster. Hoeveel procent van dit water kan ik nu
eigenlijk bevissen? Vanaf de kant werp ik op mijn hardst, in verhouding tot het
wateroppervlak, maar zo’n lullig stukje in! Straks zitten de vissen in het
midden! Plots hoor ik de verlossende piep van mijn zes meter hengel. De
dead-bait-indicator wipt op en neer, maar klikt niet los. Ik zoek voor de
zekerheid contact, maar ‘dril’ vervolgens niets meer dan een dode sardine. Toch
ben ik opgelucht. Dit beetje actie had ik nodig. Ik inspecteer de sardine en
zie de tandafdrukken van een kleine snoek. Terwijl ik dit constateer begint
mijn vier meter hengel te stuiteren. Een prachtig runnetje maakt duidelijk dat
deze snoek serieus heeft toegehapt. Ik zoek contact en voel dat het een stevige
vis is, geen monster, maar  wat een
beloning op dit voor mij nieuwe water. Ik ben superblij!
De eerste…
De volgende twee uur zit ik op een roze wolk te genieten in
het zonnetje. Het is heerlijk buiten. Mijn warmtejas blijft uit en een tropisch
banaantje stilt mijn honger. Langs mij kruipt een kikker, de spin die de hele
ochtend al voor mij in het web zit vangt een vlieg en het geritsel onder het
gras zullen wel muizen zijn. Er krioelt nog van alles in het najaar en de
winter lijkt nog ver weg. Zo zit ik twee uur te genieten. Toch begint het in
die twee uur langzamerhand weer een beetje te knagen. Als dit de hotspot zou
moeten zijn dan zou er eigenlijk nog een aanbeet moeten komen.  En gelukkig komt deze ook. Een slanke snoek
kon de dertig cm lange haring die op zes meter diepte lag niet weerstaan. Helemaal
in mijn nopjes sjouw ik terug naar de auto. Geweldige sessie, maar waar zitten
die monsters?
Vanaf zes meter…


Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd op de blog van Koen Verweij.